Afb 3 Gevel Marktplein en rzg

De lessen van Kahn - Interview Hans Ruijssenaars; over het stadhuis van Apeldoorn

Samenhang
Hans Ruijssenaars (Amersfoort, 27 mei 1944) behoort tot de generatie Nederlandse architecten die vanaf de jaren zeventig een eigen positie innam tussen het modernisme van de naoorlogse periode en de meer contextgerichte architectuur die vanaf de jaren tachtig opgang maakte. Zijn werk kenmerkt zich door een grote aandacht voor constructie, ruimtelijke helderheid, materiaalgebruik en de relatie tussen gebouw, gebruiker en omgeving. In zijn eigen woorden uitgelegd als de ‘samenhang’, een begrip dat hij heeft mogen leren van één van zijn leermeesters Louis Kahn (1901-1974). Hoewel Ruijssenaars een omvangrijk en veelzijdig oeuvre heeft opgebouwd, verwierf hij vooral bekendheid met publieke gebouwen, kantoren en complexe binnenstedelijke opgaven.  Het Stadhuis van Apeldoorn vormt hierin een hoogtepunt. 

Ruijssenaars groeide op in Amersfoort, en volgde het gymnasium aan het Constantijn College, waar hij in 1962 zijn diploma behaalde. Vervolgens studeerde hij bouwkunde aan de TH Delft, waar hij in 1969 cum laude afstudeerde: ‘toen ik mij voor het kandidaatschap inschreef, begon ik mij te realiseren dat er van de 200 studenten in het eerste jaar, nu naast mij maar twee anderen het echt gehaald hadden. Ik dacht, dan ben ik zo dadelijk 25 jaar, en dan moet ik naar een bureau. Daar heb ik nog geen zin in.’ Ruijssenaars keek over zijn grenzen heen, en vond een voor hem geschikte plek aan de oostkust van Amerika om door te studeren. ‘Eén van mijn opties was [Louis] Kahn, die ik echter nauwelijks kende op dat moment’. In werkgroepvorm volgde Ruijssenaars een jaar lang de lessen van Kahn – één van de meest invloedrijke architecten van de twintigste eeuw, met monolithische ontwerpen waarin hij aan de hand van betonnen constructieve elementen speelt met daglichttoetreding. In zijn lessen verduidelijkte Kahn deze betekenis van constructie, licht en ruimtelijkheid, maar werd er vooral belang gehecht aan orde en samenhang. Ruijssenaars vertelt: ‘Kahn had verhalen over orde. Het algemene begrip orde, daar stel ik me het een en ander bij voor. Maar de manier waarop hij orde behandelde was zo anders. Het ging hem om de samenhang tussen de maatschappelijke instituten, datgene wat een maatschappij maakt.’ 

In de tweede collegeweek werd gevraagd aan alle studenten, afkomstig van over de hele wereld, in de werkgroep te vertellen over hun eigen bezigheden. Waar de één het had over stucwerk in Dublin, een ander over de historische waarde van Machu Pichu, vertelde Ruijssenaars over het belang van straten en pleinen binnen de stad. ‘Zaken die niets te maken hebben met stijl of tijd, maar fenomenen die gelden in gemeenschappen. Het duurde even om Kahns interpretaties te begrijpen, maar gaandeweg hadden we een soort contact op abstract niveau over zijn orde.’ Veel later, spookten Kahns lessen nog door Ruijssenaars’ hoofd bij het maken van de plannen voor het Stadhuis te Apeldoorn. Het huis van de stad; de stad als huis; de markt als kamer. 

Aanleiding tot de opdracht
In 1971 keerde Ruijssenaars terug naar Nederland, en trad hij toe tot De Architectengroep, waar hij gedurende drie decennia een omvangrijk en veelzijdig oeuvre heeft opgebouwd. Vanaf het begin van zijn loopbaan hield hij zich bezig met publieke gebouwen die meer wilden zijn dan functionele accommodaties. Zijn ontwerp voor de Bibliotheek Apeldoorn (1984) was een vroege illustratie van zijn streven om een openbaar gebouw een vanzelfsprekende plaats in de stad te geven. ‘En toen kreeg ik opdracht voor een gebouw daarnaast, een kantoorgebouw. Waarvoor ik stedenbouwkundig al ruimte had gelaten – het was op dat moment braakliggend terrein’. Dat plan liep uiteindelijk op de klippen, maar het was wel de broedplaats voor de opdracht tot het Stadhuis te Apeldoorn: ‘de maquette van dat plan stond nog bij stedenbouwkundige van de gemeente, Harry Vos. Toen ik de maquette kwam halen, vroeg Harry:  ‘Jij kent Apeldoorn een beetje, waar vind jij dat het stadhuis moet komen?’ 

Met behulp van historisch materiaal dat hij onder andere had verzameld voor het ontwerp van de Bibliotheek, kwam Ruijssenaars tot de conclusie dat de Marktlocatie, een grotendeels open terrein in het centrum mét een ondergrondse parkeergarage, het meest passend was voor een nieuw stadhuis. Ruijssenaars vertelt: ‘ik ken dat stukje Apeldoorn ook uit mijn vroege jeugd. Onderweg op fietsvakantie, samen met mijn vader en broertjes, kwamen we via de Amersfoortseweg en de Loolaan het centrum in. Ik kan me nog herinneren dat ik dacht: Is dit het centrum? Die lege plek midden in de grote stad?’

In een weekend werkte Ruijssenaars een plan voor het Stadhuis aan het Marktplein uit. Aan het eind van de daaropvolgende week presenteerde Ruijssenaars zijn plan aan stedenbouwkundige Vos. ‘Na de presentatie zei Vos, vind je het erg om het verhaal nog een keer te vertellen? Toen haalde hij wethouder [Hans] Porringa erbij. Die kwam een minuut of tien later. Ik vertelde het verhaal nog een keer. Ook hij zei hetzelfde als Harry:  Vind je het erg om het verhaal nog een keer te vertellen? Daarop haalde hij stadhuiswethouder Herman Bos erbij. Ik vertelde het verhaal nogmaals, Herman Bos luisterde aandachtig, en zei vervolgens: wil je dat uitwerken?’

Ruijssenaar’s voorstel betrof het realiseren van een groot volume, evenwijdig aan het langgerekte marktplein, dat zou dienen als huis van de stad. Een ontwerp vanuit de overtuiging dat een stadhuis niet slechts een administratief gebouw moet voorstellen, maar juist het publieke hart van de stad moet vormen: als katalysator in Kahns orde. 

Frictie
‘Een stadhuis OP de markt, zo werd het in eerste instantie richting de inwoner gecommuniceerd. Dit was natuurlijk niet het geval, het stadhuis zou AAN de markt komen. De markthandelaren, die al jaar en dag hun waren aanboden op dit marktplein, leverden door de miscommunicatie weerstand. Ook in de politiek ontstond ruis: ‘een stad-huis in plaats van een ‘gemeente’-huis, daar heeft het dorp Apeldoorn geen behoefte aan’, is hoe Ruijssenaars de ruis omschreef. Aan de ene zijde bestond een beeld van Apeldoorn als kleinschaliger dorp, dat niets van doen zou moeten hebben met de veronderstelde Randstedelijke groot-groter-grootst-gedachte dat het voorstel van Ruijssenaars zou vertegenwoordigen. ‘Apeldoorn was toen een gemeente van ruim 140.000 inwoners. Je kunt dan niet doen alsof je klein bent. Het stadhuis was misschien een spiegel die ik ze voor zette, de realisatie dat de stad geen dorp meer was.’ Daarnaast was de Rots van Herzberger onderhand opgeleverd en ook de Belastingdienst had zich in Apeldoorn gevestigd. De zo benoemde Randstedelijke invloed werd al groter in Apeldoorn – het was de hoogste tijd dat het dorp zichzelf ook een stad ging noemen, aldus Ruijssenaars. 

Ruijssenaars ontwerp is niet het eerste ambtelijke volume aan het plein. Eerder in 1840, gaf Willem Frederik, prins van Oranje Nassau, en sinds 1813 de eerste koning van Nederland, opdracht voor de bouw van een Raadhuis op de kop van het Marktplein te Apeldoorn. Het ontwerp van Ruijssenaars gaat een ruimtelijke dialoog aan met dit bestaande raadhuis en definieert tegelijkertijd de contouren van het marktplein door zijn langgerekte volume. Het gebouw voegt zich in schaal en rooilijnen naar de historische binnenstad, terwijl het interieur is georganiseerd rondom een monumentale, met daglicht gevulde Burgerzaal. Het Marktplein wordt als het ware in deze Burgerzaal voortgezet en vertegenwoordigt de ‘eerste kamer van het nieuwe stadhuis’. Volgens Ruijssenaars moest het stadhuis een gebouw zijn waarin inwoners zich welkom voelen en waarmee zij zich kunnen identificeren.

Ook technisch vormt het stadhuis een belangrijk moment in zijn oeuvre. Het gebouw werd ontworpen met een grote mate van natuurlijke ventilatie, individueel klimatologisch regelbare werkplekken en een constructieve opzet die flexibiliteit in het gebruik mogelijk maakt. De centrale Burgerzaal fungeert daarbij niet alleen als ontmoetingsruimte, maar ook als onderdeel van het klimaatsysteem. Daarmee liep het ontwerp vooruit op latere discussies over duurzaamheid en gebruikerscomfort. Een latere verbouwing in 2019 heeft de individuele werkkamerstructuur vervangen voor een kantoortuinconcept; open vloeren, contact met collega’s en transparantie. Over deze latere aanpassingen laat Ruijssenaars weten: ‘zo lang transformaties met passie en respect worden ingepast, hoeft niks bezwaarlijk te zijn.’

De uitgangspunten die in het ‘huis van de stad’ samenkomen – respect voor de stedelijke context, ruimtelijke helderheid in het interieur, zorgvuldig materiaalgebruik en een geloof in de publieke betekenis van architectuur – keren terug in Ruijssenaars' latere projecten. Het Stadhuis van Apeldoorn kan daarom worden beschouwd als het gebouw waarin zijn architectonische opvattingen het meest gestalte hebben gekregen en dat een centrale plaats inneemt binnen zijn oeuvre.