Fig8 workshop 20250902 165712

Leren van het verleden: Een nieuwe blik op de wateropgaven van de Veluwezoom

De gevolgen van klimaatverandering, zoals extreme droogte en plotselinge wateroverlast, vormen een groeiende bedreiging voor onze historische landgoederen. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden, werkt het Gelders Genootschap samen met H+N+S Landschapsarchitecten aan een bijzonder onderzoeksproject voor de gemeenten Arnhem en Rheden. Het doel? Het watersysteem van de zuidelijke Veluweflank begrijpen door ‘past forward’ te kijken: erfgoedkennis gebruiken als blauwdruk voor de toekomst. Bij het aanpakken van de huidige problemen van droogte en overstromingen bij erfgoed is een puur technologische benadering zelden voldoende, hoewel deze nog steeds dominant lijkt.

Lange geschiedenis van watergebruik
Nederzettingen, boerderijen, kloosters en kastelen werden gesticht in de nabijheid van water en bleven hiermee een fundamentele connectie houden. Door continuïteit en verandering in de lange geschiedenis van watergebruik te analyseren, krijgen we nieuwe kennis en een dieper begrip van het historische watergebruik en ontwikkelingen die kunnen bijdragen aan oplossingen voor hedendaagse uitdagingen. 

Onze relatie met water is complex en speelt zich af in zowel ruimtelijke als spirituele dimensies, en is belichaamd in materieel en immaterieel erfgoed. Water heeft door de eeuwen het landschap, onze leefomgeving, gevormd. Water was niet alleen belangrijk als drinkwater en voor dagelijkse praktijken als wassen en koken. Ook voor de voedselvoorziening, militaire verdediging, transport, handel, opwekking van energie, geloofsuitingen, gezondheid en esthetiek was water cruciaal. Door de eeuwen heen is water gebruikt en hergebruikt voor tal van doeleinden, waardoor complexe en samenhangende ensembles en systemen zijn ontstaan in het landschap.

Waterkracht
Uit het onderzoek blijkt dat historische klooster- en landgoederen ingenieuze ‘watermachines’ waren. Zo werd kasteel Middachten strategisch gebouwd nabij een oude rivierarm en een natuurlijke kwelzone, waarbij water werd benut voor zowel de eendenkooi als de sierlijke tuinen. Op landgoederen als Klarenbeek en Mariëndaal zien we hoe monniken en latere eigenaren sprengbeken en molenvijvers aanlegden om watermolens aan te drijven . Elke watermolen had een molenvijver (wijer), een stuw (stuw) en oppervlaktewater (zoals beekjes, sloten en kanalen). Door de stuwen ontstond boven de molen een wijer, die de molenaar het mogelijk maakte de watertoevoer te bepalen. Oorspronkelijk werden watermolens voornamelijk gebruikt voor het malen van graan tot meel, maar later werden ook industriële doeleinden belangrijker (voor producten van hout, textiel of papier). De meeste watermolens van de Veluwezoom zijn verdwenen. Op dezelfde plek werden watervallen aangelegd in natuurlijk ogende landschapsparken, waarmee de stuwwerking gehandhaafd bleef. De oude wijer werd vervolgens een sierlijke vijver.

Drie systemen, één aanpak
Een belangrijke les voor andere gemeenten is dat een landschap dat homogeen lijkt, in werkelijkheid uit verschillende systemen bestaat. In ons project aan de Veluwezoom zijn drie unieke deelgebieden geïdentificeerd:

‘Natte dalen’: Zoals bij Klarenbeek, waar een complexe ondergrond met leemlenzen voor natuurlijke bronnen zorgt.

‘Droge dalen’: Erosiedalen aan de oostzijde zonder natuurlijk kwelwater.

‘Kwelzone met Kleischotten met kwelzone’: Gebieden waar grondwater via ondergrondse lagen naar de voet van de flank wordt gevoerd.

De ‘ontdekking’ van verschillende deelgebieden (‘natte dalen’, ‘droge dalen’ en ‘kleischotten met kwelzone’) door een interdisciplinair team van hydrologen, ecologen, landschapshistorici en landschapsarchitecten in het onderzoeksproject rond de Veluwe heeft nieuwe inzichten gegeven in de fysieke samenstelling van het landschap, maar ook hoe dit landschap door de eeuwen door verschillende gemeenschappen gebruikt is.

Lessen uit de praktijk 
Het project laat zien dat we waterproblematiek op het niveau van de hele zone moeten oplossen, van ‘hoog naar laag’ en van ‘west naar oost’. De belangrijkste succesfactoren voor een toekomstbestendige aanpak zijn:

1. Samenwerking en co-creatie: Laat hydrologen, ecologen en landschapshistorici integraal samenwerken om een ‘stapeling’ van technologische, natuurlijke en erfgoed oplossingen te vinden. Betrek eigenaren en vrijwilligers. Zonder sociale samenhang en participatie is het onmogelijk om grootschalige ruimtelijke plannen duurzaam uit te voeren.

2. Pas de aanpak ‘leren van het verleden’ toe op hedendaagse wateruitdagingen door continuïteit en verandering in de lange geschiedenis van watergebruik op erfgoedlocaties te analyseren.

3. Houd er rekening mee dat de meeste erfgoedsites geen rijksmonumenten zijn. Alleen focussen op de beschermde (delen van) een erfgoedsite is niet voldoende bij het aanpakken van wateropgaven. Beschouw een erfgoedsite als ensemble in een breder systeem.

Door te leren van hoe men vroeger met water omging, door het vast te houden waar het nodig was en slim te benutten voor nut én schoonheid, kunnen we onze leefomgeving weerbaarder maken tegen het veranderende klimaat.